HenrietteSchrijft.nl
Selecteer een pagina

Mager is ze. Haar haren zijn vet en zitten geplakt tegen haar gezicht. Ze is gekleed in een dikke winterjas terwijl buiten de eerste lente zonnestraaltjes het kwik doen stijgen naar aangename temperaturen. De vingertoppen van haar handen zijn bruinig en verraden haar nicotine verslaving. Ik schat in dat ze zo rond de 50 jaar is. Het is een mooie zondag en ik bevind me in een uithoek van het Friese platteland dit keer. Dienst in een andere windstreek.

‘Eten lukt niet.’ Dit staat summier aangegeven als reden van consult. Ik begrijp van de assistente dat mevrouw is komen aanlopen en niet heeft gebeld voor een afspraak. Ik vul zelf de klachten in mijn hoofd al een beetje in. Misschien is ze misselijk, buikgriep. Wie zal het zeggen.
Ik vraag de patiënte haar klachten toe te lichten.

Ze zit in een gebogen, timide houding tegenover me. Haar ogen zijn gefixeerd op de grond en kijken mij niet aan. Ze fluistert iets wat ik niet kan verstaan. ‘Sorry, ik kan u niet goed horen, kunt u dat nog eens herhalen?’ Ze schraapt haar keel en zegt dit maal luid en duidelijk: ‘Ik heb honger.’ Ik begin te twijfelen of ik goed heb gehoord wat ze zojuist zei. ‘U heeft honger?’ Ze knikt enkel. Ik ben wat verbaasd en begrijp even niet wat er precies aan de hand is. ‘Hoe komt het dat u honger heeft?’ Ze schuifelt een beetje met haar schoenen over de vloer, ze geneert zich duidelijk. ‘Het geld is op.’ Het blijft stil. ‘Mijn vriend is opgepakt door de politie vorige week en het laatste geld van de maandelijkse uitkering heb ik uitgegeven aan voer voor de honden.’ Ik weet niet of ik moet lachen of huilen van ongeloof. Dit kan toch bijna niet waar zijn? ‘Ik leef nu al een week op Sultana koekjes en water en thee, ik voel me slap op de benen.’ Ze kijkt me voor het eerst aan. Ik probeer haar blik te doorgronden. Ze lijkt oprecht in wat ze verteld en oogt gekrenkt. Deze vrouw heeft al een heel leven geleefd.

In mijn hoofd duizelt het van vragen. Waarom komt ze NU hier, bij mij? Heeft ze geen familie, geen vrienden die haar kunnen helpen? Wat kan IK hier nu aan doen? Ik besluit haar voorzichtig het een en ander te vragen. Met het geld wat op is, heeft ze ook geen mogelijkheden beltegoed te kopen. Een vaste lijn is er niet thuis. Ze zijn hier komen wonen omdat de huur laag is. Familie en vrienden zijn er amper en zijn dus ook niet te bereiken. WiFi dan? Ze blijken te zijn afgesloten van het netwerk door achterstallige betalingen. Het verhaal wordt steeds meer bizar. Er is ruzie met de buren. Ze durfde ze niet te benaderen voor eten of geld. Patiente en haar partner zijn bekend met het WIJK team die toezicht houden op hun thuissituatie maar recent contact is er niet geweest en nu ook niet mogelijk.
Ik val opnieuw even stil en moet dit alles even op mij laten inwerken.

Triest maar waar heeft deze mevrouw niemand waarop ze kan terugvallen. In een modern land als Nederland waar honger en armoede ver van onze bed show is, blijkt het toch te bestaan. Wie is nu armer? Die Afrikaan die nog buren en familie in de naaste omgeving heeft die altijd wel een warme maaltijd klaar heeft staan om te delen of deze vrouw die in een ontwikkeld land woont maar geen mens heeft om bij aan te kloppen? Over haar spendeer keuzes valt te twisten maar het feit is dat ze nu nul-komma-nul centen heeft om uit te geven aan een essentiële levensbehoefte, namelijk eten.

Ik besluit mijn gedachten nog even de tijd te geven en onderzoek patiente lichamelijk. Ondanks haar matige voedingstoestand is ze niet uitgedroogd en zie ik dus geen medische redenen om haar bijvoorbeeld te laten opnemen in het ziekenhuis. En nu? Patiente kijkt me vertwijfeld aan. ‘Heeft u hier geen gratis maaltijden ofzo?’ Ik snap haar hoop, maar nee dat hebben we niet. We hebben heel Hollands allemaal onze gesmeerde boterham bij ons. Ik besluit de gok te wagen en bel met de Voedselbank. Helaas. Het is zondag, wat ik had ik ook verwacht. ‘Ik weet even niet hoe ik u het beste kan helpen.’ Patiente kijkt wat weg. ‘Ik ook niet.’ Ik besluit een collega te raadplegen. ‘Wacht hier maar even.’ Mijn dienstdoende collega kleppert met zijn oren als hij dit hoort. We komen overeen dat er weinig anders op zit dan patiente nu wat contant geld mee te geven waarmee ze in de nabije supermarkt boodschappen kan doen voor tenminste vandaag en morgen. Ik besluit ook haar eigen huisarts de volgende dag te bellen om de zorg voor patiente te waarborgen.

‘Alstublieft, hier heeft u twintig euro.’ Patiente haar reactie is anders dan ik had verwacht. Gelaten neemt ze het aan. ‘Had u het liever anders gezien?’ ‘Sorry, zegt ze, zo bedoel ik het niet. Ik ben heel dankbaar maar ik schaam me ook diep.’
Ik glimlach half naar haar. ‘Heel veel sterkte.’ Ze haalt haar schouders op en loopt weg. Het voelt als loze woorden. Loze woorden en waarschijnlijk ook een loos gebaar.